
Mijn ruimte had last van iets, ruis, lawaai, een oorverdovende stilte die tot diep binnen binnen drong in wat doorgaan de oorschelp genoemd wordt.
De dag begint met een lawaai vanuit de gang, ik besluit mij er niets van aan te trekken en rustig op te staan, met hetzelfde been als ik erin ben gestapt. Het die kleine principes die het leven iets waard maken.
De tijd is soms als een slak, slijmerig en vies, veel te traag, en telkens te verdelgen met zout. De tijd die nodig was om in mijn hoofd mezelf klaar te maken om op te gaan, was nodig.
Maar hetgeen de tijd het meest was, was vreemd; in een normale situatie waar een mens als ik moet “optreden” , ben ik eerder wat men het tegenovergestelde van “nerveus zijn” noemt. Ik heb dan een volledige controle over mezelf en over de omgeving.
Dan niet. Ik bestrierf het van de zenuwen, elke aanraking aan mijn lichaam was er een teveel, ik zou de vinger die mij net aangeraakt heeft eraf gerukt kunnen hebben om te vooromen dat net die vinger mij uit mijn verdere concentratie kon halen, welke concentratie, ik herhaalde de tekst over en over en over, tot ik uiteindelijk niet meer wist wat ik zei en ik enkel klanken nabootste, — klanken uit het niets, uit de wil om de beste te zijn, uit de drang van de altleet in mij eruit te halen, om mezelf als oud Grieks altleet naakt te presenteren, om te voorkomend dat iemand anders hier zou staan.
De tijd kwam. Ik ging naar voor en beantwoorde enkele onbenullige vragen die blijkbaar essentieel waren voor het verdere gesus van enkele geweten.
Nu, ik.
ik slorpte het hele moment op, of werd eerder opgeslorpt. De extase nam mij helemaal in, elke seconde van elk woord ik zei klopte, het was juist, ik voelde het zo aan, de streling werd weergegeven in elke geluidsgolf ik produceerde en ik mocht niet nadenken, ik moest voelen, ik moest aan strelingen denken, ik moest de streling zijn, enkel zo kon ik als atleet beschouwd worden.
Ik brokkelde af, hoe hard ik ook liep, ik voelde stukken van mezelf afvallen, als de hoeveelheid energie doorheen mij stromend toenam, ik werd beheerst, behekst, ik werd overgenomen.
ik was toen op dat moment niet meer.
opgelucht als een kind dat het voorbij was ging ik neerzitten.
Mijn hart was kapot, afgeleefd, een oorlog van stem en gevoel, bisynchroon geweld in mijn ziel.
Het was over, gedaan, victorie was geen punt meer want mijn oorlog was al gewonnen, eenoorlog tegen mezelf en binnenin mezelf, had ik gewonnen.
Monotone stemmen die van overal kwamen uit zalen waar ik wel geweest was, maar weinig van onthouden had, keken naar mij. een reden aven ze niet, alhoewel ik het gevoel ik, samen met mijn vrienden verschilde van deze mensen.
iedereen in de zaal bleek anders dan ons te zijn, gaande van wandelende massamedia voerbakken, tot gure cafeetjes in het zuiden Parijs, alles liep rondom mij, naast en -uiteindelijk- op mij voor wat voor velen de drijfveer is van hun prestatie: herkenning, erkenning, faam, interviews, shows, carriere, miljoenen, hun foto naast Elvis.
De geesten van de jongeren zijn volgepompt met pop-nandrolon.
Namen van velen ik niet ken worden bekend gemaakt om hun plaats naast Elvis in ontvangst te nemen.
Tot ik er op een keer ook bij ben.
–
(dit artikel wordt verder afgewerkt)
