Als nooit tevoren had ze pijn.
De diep indringende kracht van prikkels die met miljarden naar haar frontale cortex oprukten, en de wil om door te blijven, gaan kwamen soms in conflict met elkaar.
Dat gebeurde dan ergens net boven de buik.
De longen.
Elke adem die ze nam was een adem vol vuile lucht en onmacht van wat er net onder haar ogen gebeurde.
Soms durfde ze wel eens omlaag kijken, om te kijken of de moed en de pijn elkaar nog niet door haar wanden hadden gevochetn.
Maar ze bleven netjes waar ze moesten blijven.
Onuitputbaar was de strijd, troepen vanuit het been aangevoerd door een man met de naam “Scar” bleven maar komen.
De moed van haar bovenlichaam groter en sterker wordend elke dag.
De oorlog was ruw. Dag en nacht, elke seconde schoot er wel iemand, nooit stopte het.
Zij was dit slagveld.
Heel soms, wanneer ze lachte. stopte het.
Een nihilisme en razende actie stroomde door elke cel. alles stopte, de pijn, verdriet.
Ze lachte, en beide kampen dronken kleine kopjes koffie met elkaar, vertelde een goeie grap, overlaatst gehoord!
Er werden traanmachines aangezet in modus “gelukkig”.
Lachspieren op “full speed”
Een zucht, een glimlach.
Er werd een melding “ toilet” gegeven.
Exact 67 seconden was ze weg.
Daarna stonden troepen klaar.
Vuur.